Interview met Paolo Breber

Als we zeggen dat we het bestaan van de huidige Cane Corso aan Dr. Breber te danken hebben, zal dit de waa1rheid dicht benaderen. Aangezet door Giovanni Bonnetti is Breber begonnen met zijn zoektocht naar dit mysterieuze en misschien zelfs mythische stukje Italiaanse geschiedenis. Breber was de man die de grondbeginselen legde en de verweerde Zuid-Italiaanse landschappen afzocht naar niet alleen goede exemplaren, maar ook zocht naar meer informatie over het uiterlijk en de gebruiken ervan bij de oude inwoners van Foggia, die zich misschien nog meer feiten over het ras herinnerden. De meeste oude foto’s en prenten welke tegenwoordig in de overvloed van boeken, die op de markt komen (Italiaans en Engels) zijn van hem. Hij heeft de families die de eigenaren waren van deze honden betaald voor de foto’s. Hij vermeldt er extra bij dat veel van deze foto’s zonder zijn toestemming zijn gebruikt, zoals ook vele hoofdstukken in deze boeken letterlijke kopieën zijn van artikels welke hij geschreven heeft. Het was een artikel geschreven door Dr. Breber over de Abruzzi Mastino, dat de interesse opwekte van de toen 16 jaar oude Stefano Gandolfi. In dit artikel stond een foto van een Cane Corso waarover Breber uitlegde dat dit een oude Molosser was, oorspronkelijk uit Zuid-Italië, die bijna uitgestorven was. Hij schreef ook dat hij een fokprogramma had opgestart om zo te proberen dit ras te behouden.     

In samenwerking met Gandolfi en de gebroeders Malavasi begon de selectie van het ras en vormden ze samen de rasvereniging (SACC). In 1996 besloot Breber het SACC te verlaten na een onenigheid over welke beet de correcte was. Hij bleef wel nog een aantal jaren actief binnen het ras en organiseerde de bijeenkomst van Civitella Alfedina. Dit is een bijeenkomst waar alle belangrijke liefhebbers van het ras het vandaag de dag nog over hebben.
Uiteindelijk trok Breber zich verder terug uit de activiteiten binnen het ras, zo ver dat hij zelfs niet op de hoogte was dat de FCI de officiële naam van het ras veranderd had in Cane Corso Italiano. Naarmate de tijd verstrijkt, weten degene met eigenbelangen zijn rol in het herstel van het ras zo ver te minimaliseren naar de buitenwereld tot het punt waar de meeste mensen buiten Italië niet eens weten dat hij erbij betrokken was.

Tot dit punt was Breber dan ook erg verdienstelijk bij de selectie van het ras, maar wordt niet teruggevonden in verdere acties van het SACC en hij is later niet geciteerd in artikelen over de fases van het huidige herstel en erkenning door vertolkers van de rasvereniging. Dit gezegd valt de neiging van zelfviering binnen het SACC op en het weglaten van passages, welke zeer belangrijk waren voor het herstel van het ras is behoorlijk serieus. In feite, door niet de correcte en complete informatie te geven, laten we de lezer in twijfel over de betekenis van deelname van de mensen welke niet vernoemd werden, zoals oa. Vito Indiveri en Paolo Breber. Nog steeds hield het SACC in de toenmalige vorm alle eer aan zichzelf, ook al werd het SACC eind 1999 door de ENCI ontslagen als officiële rasvereniging. Om na de erkenning van 1994 door de ENCI de officiële erkenning van de FCI te verkrijgen, moest het aantal Cani Corso stijgen. Door op grote schaal te fokken is dit bereikt. Er was genoeg vraag naar pups. Helaas hebben ze hierbij hun ideaalbeeld verloren en blijkt dat er op grote schaal met minder rastypische honden is gefokt. Hierdoor zijn er nu nog steeds grote uiterlijke verschillen binnen het ras te vinden. Het is nu dan ook zaak om zoveel mogelijk met rastypische honden te fokken, om alsnog homogeniteit in het ras te verkrijgen.

Eind februari 2003 werd het SACC, met een geheel nieuw bestuur weer de enige officieel erkende rasvereniging in Italië.

Maar laten we nu naar Paolo Breber’s eigen woorden luisteren bij het volgende interview:
(V= vraag, A= antwoord)


V: Wat kunt u ons vertellen over de naam en de verschillende betekenissen?
A: “Cane Corso” Er zijn verschillende interpretaties. Het is een oud gebruik om de term “Corso” te gebruiken voor dit soort hond. Deze term is te vinden in eeuwen oude documenten en is gelijk aan de naam van het ras. “Corso” heeft misschien dezelfde oorsprong als het Engelse woord “Course”, een ruige harde soort hond. Andere mensen hebben andere dingen gezegd, maar ik denk dat dit de meest waarschijnlijke betekenis is.


V: Kunt u ons wat vertellen van anekdotes, tradities of gewoonten, welke met de Cane Corso te maken hebben?
A: Historisch? Ja, er is een gezegde “hij is lelijk als een Cane Corso”. Toen ik de eerste keer met het ras in aanraking kwam, was het op de rand van uitsterving. Ik heb een en ander weten op te pikken van de oude bezitters, maar er was toen maar weinig informatie voorhanden. Een ding wat vaak herhaald werd, was dat hij erg huiselijk was. De eigenaren waren mensen als houders van wild, eigenaren van boerderijen, welke dag en nacht met de hond leefden als ze aan het werk waren op de boerderij. Er ontstond zo een hechte relatie en zij begrepen elkaar, zonder enige gebruikelijke training die tegenwoordig gebruikt wordt. Deze oude eigenaren trainde de honden, iedere persoon op zijn eigen manier. Vaak gehoorzaamde de hond op een soort geheim signaal van de eigenaar, zoals het optrekken van een wenkbrauw of zwaaien met een vinger. Dit is de manier waarop zij het deden. Dit is zo verschillend met de gestandaardiseerde manier waarop we tegenwoordig honden trainen. Denk aan politiehonden of andere typen honden. We hebben handleidingen en we leren ze allemaal te luisteren naar dezelfde commando’s. Dus voor mij is dit oude gebruik heel interessant.


2V: Kunt u ons vertellen hoe de uiterlijke kenmerken een rol speelde in het gebruik en werden verschillende honden voor verschillende zaken gebruikt?
A: De hond is een soort compromis tussen kracht en behendigheid; hij mag niet licht zijn en niet zwaar. Hij moet meer snelheid hebben dan uithoudingsvermogen, meer snelheid, een soort van korte snelle actie, meer dan de mogelijkheid van het rennen van kilometers achter elkaar. Dit is wat de oude teksten beschrijven. Ik heb zelfs citaten uit de 17de en 18de eeuw, welke verklaren dat de hond sterk, behendig en snel is, zonder heel veel uithoudingsvermogen, maar dit zijn de benodigde kenmerken om een stier te tackelen, welke amok maakt. De hond moest er heen gaan, om de stier te grijpen en vast te houden totdat de mens zich ermee kon bemoeien.

Dus dit is wat je ziet in uiterlijke kenmerken, hij heeft sterke bone, is krachtig maar niet zwaar, groot maar niet zwaar, hij moet licht bewegen. Hij is niet bestand tegen het constante buiten in de open lucht leven. Met andere woorden, hij is goed voor intens hard werk, maar heeft ook zijn rust en beschutting nodig. Je neemt hem mee naar buiten voor het werk, maar als je thuis komt kun je hem niet buiten in de regen of sneeuw laten, zoals met andere rassen wel kan, die hun hele leven buiten in de open lucht leven.


V: Wat kunt u ons vertellen over de rassen “Bucciriscu Calabrese”, “Calabrien Cane Corso” en “U Buccuriscu”?
A: Dit zijn slechts regionale benamingen voor dezelfde hond. Ik denk niet dat er een echt verschil was. Ik denk dat de eventuele verschillen niet genoeg zijn om er andere rassen van te maken. Dit zijn slechts verschillende uitdrukkingen in verschillende dialecten voor dit type hond in de verschillende regio’s in Italië. De originele honden, waarmee het herstel in de jaren ’70 begonnen is, waren gevonden in Foggia en Bari, welke in Puglia liggen. Andere honden werden gevonden in Calabria en dat was het. Dat zijn de honden waar de huidige honden vanaf stammen. Ze zeggen dat er nog een paar waren in Sicilië, maar ik weet niet of ze deze gevonden hebben.


V: Beschrijf de redenen die er waren om Cane Corso's tegen elkaar te laten vechten.
A: Dit waren mensen die probeerden te laten zien wie de grotere sterkere hond hadden. Het was geen echte hobby of sport. 3Maar ze hadden af en toe plezier van dit soort activiteiten. En ze gebruikten niet alleen Cane Corso's, maar ook andere rassen. Het is nooit ontwikkelt tot een echte sport met regels enzo. Het is nooit die sport geworden die het in andere landen wel was/is.

V: Beschrijf wat voor uw idee het ideale Cane Corso karakter is.
A: Het is een hond welke volledig door de mens gecontroleerd kan worden, nergens bang voor, gemakkelijk te trainen. Hoofdzakelijk een zeer vriendelijke hond, aanhankelijk naar de baas, als hij niet in actie is. Andere honden kunnen aan de ketting gelaten worden en zien hun baas slechts enkele uren per dag, of honden welke zich prettig voelen om constant te leven met het vee wat ze moeten beschermen. De Corso is anders; hij lijdt als hij niet kan leven als vriend van de mens. Hij vormt een zeer hechte band mijn zijn baas.


V: Kunt u iets meer over uzelf vertellen en hoe u betrokken raakte bij het herstel van de Cane Corso?
A: Mijn interesse in honden begon toen ik een jaar of zestien of zeventien was. Jaren heb ik de Abruzze Mastiff bestudeerd, welke een hond is die schapen tegen wolven beschermde in Zuid Italië.
   

Ik heb artikels en een boek geschreven over dit ras. Een man, Giovanni Bonnetti genaamd, las enkele van mijn artikels en schreef me een brief, toen hij erachter kwam dat ik aan het werk ging in Zuid-Italië in de provincie Foggia. Hij vertelde me dat er daar ergens een ras was, op een bepaalde manier gebouwd, en met een bepaald soort uiterlijk en karakter. Ik had deze zelf nog nooit gezien, maar een vriend van me, Ballotta, welke een oude keurmeester was, had ze wel gezien in deze streken voor de oorlog. Dus ging ik zoeken naar deze hond en eindelijk na een paar jaar zoeken, vond ik een paar exemplaren op een hondenshow in Foggia. Hier is het allemaal begonnen. Er was geen informatie over te krijgen, in ieder geval niet op papier. Dus begon ik de locale bevolking te interviewen. Langzaam maar zeker kreeg ik een idee over de hond, zijn uiterlijk en de belangrijkste dingen welke hij deed, waar hij voor gebruikt werd. Het lukte me om een teef te kopen en een dekking van een geschikte reu te krijgen die ik gevonden had. Dat was het eerste nest geboren buiten de oorspronkelijke omgeving. Toen is het geheel begonnen. Eerst langzaam en daarna veel sneller. Dit begon in 1973-74.


V: Kunt u uw eerste kennismaking met het ras beschrijven?
A: Ten eerste had niemand me verteld hoe ze er exact uitzagen. Ze hebben me ongeveer vaag beschreven wat voor een hond het was. Toen zag ik een hond, die duidelijk een kruising was tussen een Duitse Herder en nog iets. Wat me opviel was de gestroomde vacht van deze kruising. Dit was de eerste link, de eerste soort verdenking. Het was duidelijk dat ik een hond zocht die anders was dan alle andere honden die ik kende. Ik was niet zeker of dit een puur type was, puur Molosser, puur hound of puur greyhound type. Ik wist niet welk basis type het was. Langzamerhand werd het mij duidelijk. Toen zag ik eindelijk mijn eerste Cane Corso op deze show.
    

4V: Kunt u in het kort beschrijven hoe het herstel van het ras gestart is?
A: Zoals ik eerder vertelde, had ik deze teef “Mirak”, ze was zwart, niet erg groot. Ze had een heel prettig karakter. Ik kocht haar (ze was al volwassen) van een man in Lucera, welke in de provincie Foggia woonde. Ik had haar voor het eerst gezien op die hondenshow en daar heb ik hem gevraagd of hij deze hond wilde verkopen. Toen ze loops was ging ik met haar naar een reu, welke ik ook op die show had uitgekozen, “Aliot” en hij kwam van Ortanova. Ze kregen een nest van 7 pups, welke heel goed bleken te zijn. Er was een zwarte reu “Dauno” en een gestroomde teef “Brina” en er waren 5 lood grijze (blauwe) pups.


V: Wat zijn uw ideeën over de richting die het ras is opgegaan over de laatste jaren?
A: k ben een tegenstander van de ondervoorbijt. Dat is mijn grootste probleem. Mijn grootste kritiek is dat er zo veel van deze ondervoorbijters zijn. Het ras was volgens mij geen onderbijter, maar had een normaal scharend gebit. De traditionele historische rol van de hond kwam tot uiting door zijn beet. Het was een vastbijtende hond (catch dog). En een vastbijtende hond heeft sterke kaken en perfecte grote sterke tanden, welke perfect in elkaar passen en dus geen compleet vervormde kaak die dat werk helemaal niet kan doen. De onderbeet is een defect. Dat is mijn grootste kritiek. Er zijn nog steeds mooie honden, het oude type is er nog steeds, als je weet waar je zoeken moet. De honden moeten niet te groot worden, omdat een grote hond te zwaar wordt en zijn behendigheid en wendbaarheid verliest.


V: Wat veroorzaakte uw vertrek bij het SACC?
A: Ik wilde deel uitmaken van het opstellen van de standaard. Dat was mijn passie en hetgeen waar ik echt van hield. Ik had geen interesse in het opzetten van een kennel of honden te verkopen. Ik wilde echt een rol spelen in het vastleggen van de standaard en toen werd dit zonder mijn medewerking gedaan en kwam ik erachter dat de onderbeet erin was gezet. Dit zat me echt dwars. En dat was het einde van mijn verband met het SACC.


V: Denkt u dat de Mastino Napolitano en de Cane Corso dezelfde voorouder hebben gehad?
A: Tja….De Mastino Napolitano is iets heel anders, maar het zijn uiteraard beide Molossers zoals ook de Boxer en de Rottweiler, ze behoren allemaal tot dezelfde rasgroep. Ik denk niet dat de Mastino Napolitano zeer nauw verwant is, omdat dit zo’n gespecialiseerde hond is. Als je naar de Mastino’s in de jaren vijftig kijkt, waren dit niet zo’n overdreven honden in uiterlijk; ze hadden niet deze hele lange hangwangen en keelhuid, waarvan ik denk dat deze de hond hinderen in zijn beweging en normaal gedrag, Ik zag eens een Mastino die naar een persoon beet. Hij kwam dicht in de buurt, raakte de persoon niet, maar beet zichzelf op zijn eigen lippen en kwijlde bloed. Ik bedoel dus dat een hond die probeert iemand te bijten en er alleen in slaagt om zichzelf te bijten, een voorbeeld is van overdrijven in de fokkerij van al dit vel.


V: Waarom was er een herste programma in Mantova?
A: Zij waren de eerste mensen met een kennel die interesse in de honden hadden. Zij hadden de ruimte en de kennels om een fokprogramma te starten. Ze hebben contact met mij gezocht en boden op een vriendelijke manier hun samenwerking aan. Ik was blij dit te kunnen accepteren, omdat ik de fokkerij zelf niet alleen aankon. Ik had er de ruimte niet voor. Ik leefde op het platteland en kon hooguit 15 tot 20 honden tegelijk houden.


V: Kunt u de originele “rustic” honden-Dauno, Brina, Aliot, Alke, Tipsi, Mirak, Picciut beschrijven?
A: Van al deze honden uit die eerste nesten, had alleen Brina een ondervoorbeet. Dauno en de rest hadden een scharend gebit. Brina’s beet was niet zichtbaar van de buitenkant. Je moest haar lippen openen om het te zien. Aliot had zeker geen onderbeet. Aliot en Mirak waren verschillend. Aliot was groot met een lange neus, Mirak was een kleine hond, ze had een lange rug, maar haar p5oten waren niet erg lang. In het hoofd was ze wat kort. De puppies waren heel goed, ze waren homogeen en niet in allerlei soorten en maten. Je zou verwachten dat er enkele op de vader zouden gaan lijken en enkele op de moeder, maar dit was niet het geval.
Dauno was een erg fraaie hond, Brina was ook bijzonder fraai, maar haar achterpoten waren wat zwak, koehakkig. Ik bedoel, ze kon rennen, springen en alles, het had geen invloed op haar soepele beweging. De rest van de pups waren ook fraai, maar ik ben ze uit het zicht verloren en weet alleen de geschiedenis van deze 2, de gestroomde en de zwarte. Ik ben deze honden gaan inkruisen met andere honden die ik gevonden had, zoals een heel fraaie maar erg oude reu Picciut, van San Paolo. Hij was erg fraai. Wat ik aan hem zo interessant vond was zijn vacht, deze korte maar niet heel erg korte vacht en dit erg dikke haar wat bijna recht overeind stond. Het was zacht aan het lichaam. Deze hond had een hele wollige ondervacht in de winter. Dit was duidelijk een aanpassing aan het leven buiten. Het was niet die fijne fluweelachtige vacht van een Boxer of Doberman.     


V: Kunt u ons wat meer vertellen over de trainingsmethoden van de Cane Corso voor het werk op de boerderij?
A: Ik heb niet zo heel veel informatie over dit onderwerp. Met de jachthonden trainden ze met jonge varkens. Het idee om te bijten en vast te houden is instinct. Het punt is ze te leren waar ze moeten pakken op welke plaats, omdat ze anders gedood zouden kunnen worden, zoals bij het werk met stieren. Het is belangrijk dat de hond bij een stier de oren of snuit pakte. Bij een zwijn was het belangrijk dat ze een oor of een achterpoot te pakken krijgen. Zwijnen zijn vrij stijf en kunnen zich dan niet omdraaien naar de hond. De reden dat de hond een zwijn niet bij de neus mag pakken is omdat hij dan mogelijk de hond aan de grond kan nagelen en hem te pakken kan nemen.

V: Heeft u een theorie over hoe de Molosser is ontwikkeld en zijn weg in Italië heeft gevonden?
A: Ik heb al eerder verteld dat dit type hond al bestond aan het begin van de geschiedenis. Er zijn een flink aantal citaten over het importeren en exporteren van honden van voor en in de Romeinse tijd, waarbij het Romeinse rijk over een groot deel van de oude wereld reikte en zeker toegang had tot deze honden. Waarschijnlijk komen ze oorspronkelijk uit het Midden Oosten, noord Perzië (Iran), de Kaspische en Zwarte Zee. Dit zijn ook de gebieden waar alle domestische rassen van oorsprong vandaan komen. Het is niet slechts een theorie van iemand dat dieren zoals schapen, geiten, paarden en ezels allen van oorsprong uit de omgeving Noord Iran, Caucus en de Kaspische zee komen. Ik ben er zeker van dat ze daar vandaan komen. Het zijn deze oude beschavingen die met het oorspronkelijke domesticeren begonnen. Dat is ook waar deze honden geboren zijn; het oorspronkelijke type was ontwikkeld, gestart bij een soort primitief uitziende wolfachtige hond. Ik denk niet dat ze afstammen van de Tibetaanse Mastiff, ik denk niet dat er een directe link is, ze zijn duidelijk wel verwant, maar ik denk niet dat alle Molossers rechtstreeks van de Tibetaanse Mastiff afstammen. De Tibetaanse hond is gewoon een van de variëteiten.


V: Beschrijf wat er met de Cane Corso gebeurde na de val van het Romeinse Rijk.
A: Het was de hond die nodig was voor enkele gebruiken binnen de veeteelt. Als je rundvee of varkens houdt dan heb je dit soort hond nodig. Omdat het een vastbijtende hond was kon het half wild vee tackelen. Je kunt problemen krijgen met het houden van stieren. Als je een stier hebt, die jou wil aanvallen omdat hij het vertikt om door jou in gevangenschap gehouden te worden, stuur je je hond erop af. Hij zal je leven redden omdat hij tussen jou en de stier komt en hij zal de situatie de baas worden, omdat hij snel genoeg is. En uiteindelijk zal hij snuit of oren grijpen en zo de stier tegen de grond dwingen. Ze hebben dit type honden gebruikt bij de stierengevechten in Spanje. Ik geloof niet dat ze ze nu nog gebruiken, maar tot een tijdje geleden als de stier niet goed was, als ze geen gevecht met een mens wilde aangaan en ze wilde van de stier af en hem uit de arena krijgen, dan werd de hond erin gestuurd om de stier vast te houden, zodat de mens het kon afmaken met een kort mes. Ze staken de stier neer net achter de hoorns en doodde hem zo direct.


V: Wat zijn volgens u de meest essentiële kenmerken van dit ras?
A: De lichaamsbouw moet overeenkomen met het werk waarvoor hij bedoeld was/is. Het is een vastbijtende hond en heeft dus sterke kaken nodig om het dier wat hij vasthoudt onder controle te houden. Hij heeft sterke bone, het is een sterke gespierde hond, snel en wendbaar in beweging. Hij hoeft niet te beschikken over een groot uithoudingsvermogen om ver te rennen. Uiteraard heeft hij een sterk hoofd, wat overeenkomt met de krachtige beet, welke mijns inziens een scharend gebit moet zijn. Niet erg kort in de vacht, deze is ietsje langer maar dicht tegen het lijf en het steekt niet uit. Het is geen harige hond, maar heeft een wollige ondervacht in de winter, welke past bij het werk in de buitenlucht.6

In dit interview komen een aantal belangrijke honden aan bod, zoals Dauno, Brina, Aliot, Alke, Tipsi, Mirak en Picciut. Voordat ik verder in ga op het belang van deze honden, wil ik even een klein stukje citeren uit een interview met Vito Indiveri:

“De rasstandaard is gebaseerd op honden afkomstig uit Puglia, gebaseerd op metingen gedaan door vooraanstaande keurmeesters zoals: Perricone, Vandoni, Morsiani etc. Hiervoor zijn ongeveer een 70 honden alleen al door Morsiani nagemeten.”

De rasstandaard is dus niet gebaseerd op 1 hond in het bijzonder. Maar vele oude Italiaanse fokkers en keurmeesters gebruiken wel 1 hond als voorbeeld van een uitmuntend exemplaar volgens de rasstandaard, nl. Basir.
    

Vertaling: Nancy Koper
La Grazia Di Dio Cane Corso Italiano
Editor: José de Vries
Chiaro E Tondo Cane Corso kennel

Copyright © 2015 Onze Cane Corso.nl All Rights Reserved.